Kwetsbaar opgesteld: in de arena

in-de-arena

Zoals gezegd ben ik met mezelf aan het coachen gegaan, met behulp van mijn 2 paarden.

Het idee startte met de visualisatie van 2 foto’s die het thema in mij projecteerden (een foto van Thor de dondergod en een foto van een dame rijdend op het gevleugeld paard Pegasus). Onbewust was ik dus opgestaan met dit thema dat zich spontaan aanbod. Ondertussen kwam er ook respons met visies over deze 2 beelden, waarvoor mijn oprechte dank.

********

Ik kom aan op de weide en er zijn heel veel dingen die tegelijkertijd in mij opkomen, ik houd mij aan wat extra triggert en wat binnen het thema belangrijk lijkt.

Beide paarden staan mij op te wachten. Ze willen bij elkaar staan, maar de omheining is nog dicht. Sinds kort staan ze ’s nachts apart om te eten, vandaar.

Akosa haar blik dringt helemaal tot me door zoals gewoonlijk, die van Pégase komt aan, maar ketst enigszins af. Onmiddellijk voel ik een dualiteit, een dualiteit die ik enkele minuten later kan benoemen, maar die ik nu al meegeef. De dualiteit van levensvreugde versus iets dat deze levensvreugde bombardeert.

Geen van beide paarden heeft interesse in het hooi dat ik bij heb, zelfs Pégase niet, hij die altijd maar wil eten. Ze kijken me aan alsof ze denken ‘Hemeltjelief, wat is ze nu weer van plan’. Herkenbare gedachte, dit denk ik zo vaak van mezelf.

Ik voel dat ik een confrontatie uit de weg wil gaan, een confrontatie die behoorlijk trekt. Er komt bij me op dat ik helemaal niet geconfronteerd wil worden en dat ik gewoon mijn dekentje zou willen nemen om ermee in de weide te gaan liggen. Zomer, waar is de zomer.

Akosa draait zich om en kijkt herhaaldelijk de weide uit.
De vraag ‘Is er iets dat niet gezien wil worden?’, gaat wel 10x door mijn hoofd. Ik vermijd de vraag.

Akosa vertelt me dat ze op de weide wil, ik herken haar vragende blik. Ik loop naar de ingang van de weide en ze komt achter me aan. Op geen enkel moment heb ik het gevoel dat ik achter mij moet kijken, ze zal niet over me heen lopen maar mijn ruimte respecteren. Ik stop toch even om het zeker te zijn en ja, ze stopt netjes achter me. Bij een uitreikende hand maakt ze zachtjes contact en laat ze haar hoofd zakken.

Ik open de ingang van de weide en ze stormt het gras in met haar staart enthousiast omhoog. Wat lijken we toch zo op elkaar, zacht en tegelijkertijd een brok puur ‘wild’. En toch, in al onze wildheid zouden we elkaar en de omgeving nooit pijn doen. Al slaan onze benen eens vurig uit en zwiept ons hele lichaam wel eens gepassioneerd van her naar der, het is steeds met de nodige voorzichtigheid voor mens en dier rond ons.

Ik laat Akosa van het gras genieten en ga richting Pégase.

Ik vertel Pégase dat zijn hooi in zijn stal hangt en dat ie lekker kan gaan smullen. Terwijl ik bij hem kom staan met een 2-tal m ruimte tussen zie ik zijn geslachtsorgaan naar beneden zakken en slaat hij er een aantal keer mee tegen zijn buik. Iets wat ik niet vaak zie bij hem, maar kom. Op de vraag wat dit met mij doet? Weinig eigenlijk, ik stelde mij misschien heel even de vraag ‘Je zal mij toch niet bespringen of zo, he?’ (dit neerpennend lijkt het wel of ik een erotische roman aan het schrijven ben).

Ook hij draait zich vervolgens om en kijkt naar buiten. Hoewel ik niet bang ben van zijn achterhand, voelt het in deze ervaring wel vrij bedreigend.
‘Is er iets dat niet gezien wil worden, Emily?’

Het valt me op dat ik mij zo goed als niet kan verbinden met Pégase en dat ik de verbinding ook vermijd, ik ga ze keihard uit de weg. De vraag ‘Is er iets dat niet gezien wil worden’ versterkt deze vermijding ten zeerste.

Ik wandel richting de stallen en kijk een aantal keer achter mij om te zien of Pégase achter mij aan komt. Ik heb het gevoel dat ik bij hem net heel erg op mijn hoede moet zijn.
Spontaan komt bij me op dat ik helemaal niet meer op mijn hoede wil zijn, dat ik echt geen zin meer heb om mij constant te moeten behoeden tegen dit en tegen dat, … Ik wil gewoon op mijn gemak zijn. Ogenblikkelijk voel ik ook dat dit het is wat de laatste weken zo aan mij trekt. Hoewel ik alles heb wat mijn hart verlangt, is het gevoel van steeds op je hoede te moeten zijn iets dat mij veel energie kost en angst bezorgt.

Ik neem het gerief om mest op te ruimen en start met deze dagelijkse fysieke arbeid. Akosa en Pégase staan nu op een gelijke afstand van mij, ik bevind mij dus zo goed als in het midden van hen.

Gauw begint een spel. Akosa schrikt van iets en stormt even weg en weer. Heel bewust wil ik haar kalmeren en haar zeggen dat alles goed is, dat er geen reden is om bang te zijn van het monster dat ze denkt gezien te hebben. Deze rol neem ik regelmatig op mij, hoewel ik ook vaak op zoek ben naar veiligheid ben ik ook vaak diegene die zorgt dat er vertrouwen en veiligheid aanwezig is. Omgekeerd kan ik ook wel eens de persoon zijn die een monster ziet, terwijl er niets aan de hand is.

Ik sta nog maar bij Akosa en voel mij al terug naar Pégase getrokken worden met de uitnodiging ‘Alé, Pégase, kom toch eten’. Voor ik het goed en wel besef ben ik van de ene kant naar de andere kant in versneld tempo aan het ijsberen. Geslingerd worden tussen mannelijke en vrouwelijke energie, dagelijkse kost.

Enerzijds ben ik zo ontzettend ambitieus, leidinggevend en vol lef, anderzijds wil ik gewoon eenvoudigweg even zonder verantwoordelijkheden op mijn gemak zijn. De bevinding die hierbij bij me op komt is dat ik het verre van eenvoudig vind om Emily Condé te zijn. Hoewel de ene kant van mij zucht bij deze bemerking, heeft de andere kant er lol bij en is er stiekem ook trots dat ik ‘niet gemakkelijk ben’ en dat er waarschijnlijk ergens een handleiding moet zijn. Ook komt de uitdagende uitspraak bij me op: ‘Ah, jij denkt te weten hoe het in elkaar zit, probeer maar eens’. Niet mooi hé van mij, dat besef ik. Volgens mij ben je in deze energie al gebuisd voor je er ook nog maar aan begint. Waarschijnlijk maakt dit eveneens deel uit van een vermijdende houding. Ja, ik ben vermijdend gehecht.

Ik ga de paardenmest opruimen in de stal en de gedachte komt naar boven dat ik eigenlijk wel behoefte heb aan een sterke leider naast mij. Een leider die mij ‘aankan’, die mij een grens kan geven als ik erover wil gaan. Een leider die naast mij kan blijven staan. Een leider die mij even tegen de muur kan zetten als het nodig is, ik denk dat mijn laatste partner dit misschien iets te letterlijk heeft genomen. Een leider die mijn kracht niet als een bedreiging ziet voor zichzelf, hoe raar dat ook klinkt.
Een leider die mijn kracht niet wenst af te nemen, omdat hij er zelf onvoldoende heeft. Een leider met wie ik krachten kan uitwisselen, zodat we er elk zelfs nog sterker van worden.

Op het moment dat ik met de schep mest uit de stal ga zie ik Pégase dichter komen, vervolgens blijft hij naar me staren. Ik vermijd zijn blik, alsook wat de eventuele boodschap hiervan zou kunnen zijn.
Gezien dit volgt op het benoemen van mijn behoefte aan een sterke leider, had ik dit hier ook aan kunnen koppelen. Opnieuw komt er vermijding.

‘Is er iets dat niet gezien wil worden, Emily?’

Hoewel ik op deze vraag heel graag naar de omgeving wil kijken, lukt het mij niet. Mijn ogen zijn geankerd aan de grond. Ik steek een tandje bij in het poetsen van de mest. Dit is een stempel op mijn vermijdende hechting en een vicieuze cirkel beredeneer ik. Als er iets is dat ik wil vermijden dan ga ik in mijn mannelijke energie waardoor er weinig ruimte is voor gevoelens en echte verbinding, een soort van zelfbescherming tegen iets wat te confronterend is waardoor ik dan weer ontoegankelijk word en dus nog vermijdender.

De vraag ‘Is er iets dat niet gezien wil worden?’ herhaalt en herhaalt zich en ik voel kwaadheid in mij opkomen, zoveel kwaadheid. Het mesten gaat harder.
‘Is er iets dat niet gezien wil worden, Emily?’.

Mijn kwaadheid stijgt en er komt een krop in mijn keel.

De vraag stelt zich nog eens en mijn adem versnelt extreem met een kwaadheid die tot een climax komt. Ik voel mij terug gaan in de tijd. Ik wil met mijn mestvork wild in het rond slaan en alles wat ik maar kan vinden wil ik rond gooien.

Een paar seconden later zie ik mezelf tegen de muur gegooid worden, door een livingkamer gesleurd worden en ineen stuipen van een stamp in mijn buik. Een hand tegen mijn hoofd dat ervan gaat gloeien, een stuk lamp waarschijnlijk ook, geen idee, het is donker. In mijn ooghoek zie ik Akosa verschrikt opzij springen en hoor ik mij zeggen: ‘niet waar Akosa bij is’. Ik vlieg van de ene naar de andere kant en weet niet wat er gebeurt. Even later zie ik mezelf voor de spiegel staan met schmink om de blauwe plekken te camoufleren.

Voor ik het goed en wel besef ben ik aan het vechten met oude demonen, zoek ik een uitweg in de kamer, maar helaas is alles op slot. Ik voer een strijd om te ontsnappen, maar dat lukt niet, ik ben gevangen en bij de minste kik zal ik het geweten hebben. Alles is op slot en ik kan geen kant uit. Ik zit uit te rekenen hoeveel meter het is naar de voordeur, hoeveel tijd dat neemt en wat er kan gebeuren. Mijn telefoon ligt op de tafel, wie kan ik onopgemerkt bellen?

Op dat moment in de coaching voel ik mijn adem richting hyperventilatie gaan. Ik spreek mezelf toe dat het OK is, dat ik het mag voelen en dat ik zeker weet hoe ik hiermee om moet gaan. Ik heb het geleerd, mezelf de veiligheid bieden die ik nodig heb. En het lukt, eveneens lukt het mij de mestvork neer te leggen en mijn ogen te richten op de omgeving.
Let op je ademhaling, mopje, het is OK.

Ik neem de tijd om de kwaadheid helemaal te doorvoelen en goed en correct te ademen. Hoewel ik de laatste weken wel voelde dat er een ‘zwart beest’ is dat mijn levensvreugde wil afnemen, had ik niet verwacht dat dit op een of andere manier nog zijn impact had. Boosheid, boosheid op geweld dat aangericht is, boosheid op fysiek en emotioneel ‘mis handelen’, een strijd tegen angst die niet meer nodig is, maar toch precies nog rondhangt in mijn lichaam.

Het is goed om hier te eindigen, spreek ik mezelf toe, laat het maar bezinken en het brengt je vast wel weer verlossing. Even de nodige zachtheid geven aan jezelf.

Even later haal ik Akosa van de weide en het valt mij op dat er gigantisch veel molshopen zijn. ‘Zie je wel, je hebt aarde nodig om enkele plekken van de weide op te hogen, cadeautje van de mol’. Het komt bij mij op dat er altijd voor alles een oplossing is en hoe je het ook draait of keert, alles dient zich aan tot je ermee gedaan hebt wat je er moet mee doen, tot er een oplossing gevonden is.

Fysiek geweld, een trauma dat zich niet alleen mentaal vastklemt – daar ben ik overheen – maar ook in het fysiek lichaam. Traumatische ervaringen worden opgeslaan in onze cellen en vroeg of laat wordt het lichaam er weer op getriggerd, of je het nu wil of niet. Gezien ik met dit thema ben opgestaan, zal er ook wel weer iets zijn dat besliste dat het tijd werd om dit aan te kijken.

Grappig is net dat we vrijdag een ontzettend leuke teambuilding hadden. We zijn eerst gezellig gaan eten met z’n allen en daarna hadden we een spelactiviteit voorzien:

ESCAPE ROOM

Het is tijd om uit de arena te stappen en niet meer op mijn hoede te hoeven zijn.

Deel 1 van 2, wordt vervolgd.

Geef een reactie